Metaforen en archetypen

Van model tot model    Je hebt weleens gehoord van het woord “archetype“. Die term verwijst naar model, oorsprong of oerbeeld.  Ze vormen de kern van de psychologie van Jung in de vorm van  een zogenaamd “gemeenschappelijke onderbewuste”. Beelden die opkomen uit je onderbewuste. Modellen. In de mind@work methodologie zien we ze als een verzameling (“collectie”) toegestane ervaringen, zowel acties als houdingen.

Je lichaam weet” in de vorm van “archetypes”. Met je hersenen naak je daar metaforen van, die je kunt uiten in taal (“vertalen”, zeg maar). Vandaar, dat in de hersenen, delen van je lichaam verbonden zijn met delen van je lichaam. Zo zie je, hoe je een model van je lichaam ook model staat voor de situatie. Het interne modelsysteem M modelleert de situatie aan de hand van je onderbewuste lichamelijke ervaringen (Q) door middel van de filters (F) van je waarnemingssysteem. Hier volgt een toelichting.

Beelden van archetypen.   We wisselen beelden uit over archetype. Wat versta jij er onder? Zijn het beelden? Toestanden? Energieën? Bewegingen? Zitten ze in je lichaam, of zijn ze juist projecties? Figureren ze in verhalen, of zijn ze reëel? Tenslotte komt iemand met een interessant begrip: “bind-weefsel” – in een ander verband, maar toch.

Weefsel.   Wanneer je dat woord figuurlijk gebruikt, zouden we archetypes kunnen duiden als een weefsel, figuren gebonden in geweven patronen. Wat me op bijgaand plaatje brengt (Museum Cluny, Parijs):

Wat zie je hier? Van een hoogleraar kunstgeschiedenis, parafraseer ik zijn vraag: “wat zien we hier”? Nadat iedereen antwoorden geroepen had, zou hij gezegd hebben: “geweven stof”. Iedereen ziet iets anders, en we zien allemaal geweven stof.

Begrip voor archetype.   ‘Wie het begrip “archetype” niet begrijpt, begrijpt Jung niet’, zoiets werd gezegd. Nou begrijp ik Jung niet, maar ik heb wel een begrip van archetype. Ik denk ook, dat iedereen dat heeft.  Je kan archetypes niet grijpen, ongeveer zoals je de plaats en de snelheid van een deeltje niet tegelijkertijd kunt meten.

Wat werkt.   Zoals ik archetype benader, bestaat archetype niet als een werkelijke iets, maar als iets dat werkt. Wat er werkt, verschilt van mens tot mens, omdat jezelf invulling geeft aan je archetypes. “Bewerken”, als term.

Bindweefsel van verbeelding   Archetypes plaatst archetypische Jung niet voor niets in het collectief onbewuste. Daar zitten de dingen “die we niet begrijpen”. Dit roept bij mij de vraag op: in welke mate is “collectief onbewuste” ook een archetype? Het bindweefsel van de verbeelding? Maar goed, verder.

Door filters.   Zo’n “collectief onbewuste” (of onderbewuste) bestaat alleen uit “individuele”, eigen onbewuste beelden, alleen jij werkt met je eigen beelden. Je neemt deel aan een collectief onderbewuste, met een eigen “onderbewuste”. Die term is inherent paradoxaal, want wanneer iets “onderbewust” is, hoe kan je het dan “bewust” weten? Dat weet je nog steeds niet, maar wanneer je dit collectief onderbewuste als een verzameling sjablonen, dia’s voor je filters ziet, dan begrijp je beter, hoe “je mind” werkt.

Wat je ziet.    Je neemt waar, door je “filters” en je onderbewuste ervaringen “beleveren” die “filters”. Je filters bewerken je waarnemingen. Dat je beelden “ziet”, komt doordat je “mind” interne en onbewuste beelden uit je ervaringen (Q) projecteert op je waarnemingen (F). Je hebt leren zien, door je ervaringen te koppelen, te verbinden aan je indrukken. Een baby zal zonder aarzelen over een glazen vloer boven een die kruipen. Jij zult eerst aarzelen en de vloer testen.

Mot.  Vandaar dat je als mens geen “weefsel” ziet van een wandtapijt, maar beelden van een jonge bruid (Anima? Schaduw?) met eenhoorn (maagdelijkheid), leeuw (moed), hondje (trouw), etc.  Je filter systemen, verwerken hun indrukken aan de hand van je archetypes. Een mot, zal alleen maar “voedsel” zien.

Wat er staat.   Voor het woord “mind” mag je ook “zelf”, “ziel”, of “psyché” lezen, geen lidwoorden, dus archetypes. Wanneer je leest, lees je niet de “l e  t  r s”, niet de “woorden” en zelfs niet de “tekens”. Je “leest” metaforen, gefilterd uit de beelden van je lichaam. En die zijn weer persoonlijk. Je maakt ze uit verwerkte ervaringen. Nu besef je ook, waarom we een “standbeeld” ook een “beeld” noemen.

En dit bedoel ik met: “wat je zegt, is niet wat je bedoelt”.

Verzamelen.   Het andere deel van het woord collectief onbewuste.  Zo’n “collectief onderbewuste” bevat “collecties”. Ook natuurlijk anders opgevat, dan bedoeld.  Je onbewuste vormde zich als een set, verzameling of collectie van samenhangende beelden. Door je eigen, unieke ervaringen beschik je over een verzameling unieke en eigen “filters”. Onze verzamelingen lijken op elkaar in hun structuur. Omdat we allemaal in ongeveer dezelfde  (familie)structuur zijn opgegroeid.  Vandaar de andere betekenis van “collectief”. De beelden verschillen in hun individuele inhoud.

Complexe vorm.    In de methode gebruiken we ons vermogen om beelden gemeenschappelijk te maken. Niet door de teksten uit te wisselen, die zijn te weinig complex, maar door de beelden in de vorm van figuren.

Structuur.   Je kan een archetype opvatten als een “structuur van een beeld”. Het archetype “moeder”, om er gelijk maar een te noemen, heb je gemaakt of afgeleid uit de structuur van je concrete ervaringen met echte moeders. Dit hoeven niet eens vrouwen te zijn, want ook mannen, kinderen of zelfs voorwerpen kunnen “bemoederen”. Je ervaringen met “moederen”, gebruik je om je een voor-beeld van “moeder” voor te stellen.

Abstraheren.    Moeder als archetype bestaat zo, in je mind of geest, als een metafoor. Door het overdragen van de structuur van de verzameling van concrete eigenschappen op de indrukken, maakt “mind” een beeld of metafoor.  Deze structuur werkt als een filter en als een template of sjabloon voor je metafoor. Door dit filter, kan je dit gedrag herkennen, ervaren en duiden als “moeder”. Onbewuste processen, maken zo een “abstractie”, een abstracte structuur van het volle begrip moeder. Je lichamelijke ervaring vertaal je in een mentaal beeld.

Begrip van metafoor.    In mijn opvatting van het begrip “archetype” verschilt het weinig van het begrip “metafoor”. Een metafoor bestaat uit de afbeelding (= projectie) van een structuur van concrete ervaringen op eenzelfde structuur van abstracte klassen of categorieën. Ze verhouden zich tot elkaar als doel tot middel. Metafoor bemiddelt en archetype bedoelt, ofwel, wat langer gezegd, door middel van een metafoor begrijpen we, wat we met een archetype bedoelen. Waarbij je zowel het archetype als de metafoor nooit helemaal zult begrijpen.

Ik heb dit in het volgende plaatje verbeeld:
Model van model

In het museum maakt het wandkleedweefsel indruk op je. Ogen (en oren, lichaam, neus…) filteren de indrukken en deze worden intern bewerkt. Je haalt uit jouw verzamelingen onbewuste ervaringen mogelijk passende structuren (archetypes) op. Deze projecteer je op de indrukken en zo verkrijg of schep je beelden. Vandaar het woordgebruik “eigenschappen”. Je beelden combineren dus altijd indrukken met onbewuste ervaringen. Je best passende keuze “maak je bewust” en “maakt je bewust”. Zo “kies” je door je mind het op dit moment meest passende beeld of betekenis. Hetzelfde tapijt zal dus op een ander moment een andere betekenis verkrijgen. De inherente structuur van de ervaringen blijft grotendeels hetzelfde. Door een overweldigende (numineuze) ervaring, kan het gebeuren, dat je je verzameling (collectie) van onbewuste beelden gaat aanpassen. De werking hiervan is complex.

Mind@work methode. Met mind@work methode kan je dit na doen. Met elkaar vergelijk je de beelden in de vorm van de figuren op het bord. Daarbij hecht je je eigen betekenis aan de figuren en – door het overleggen -, ontstaat een gemeenschappelijk beeld, een collectieve “mind”. Die bestaat natuurlijk maar even, net zoals die maar even in je hoofd bestaat. Daarom leggen we het beeld vast in een plaatje en een beschrijving.